De putten van Roermond
Een historisch overzicht
In de middeleeuwse stad Roermond waren zeer gebrekkige hygiënische voorzieningen, waardoor de stad waar veel mensen dicht bij elkaar woonden een bron werd van ziektekiemen. Er was geen sprake van riolering en afval werd in het beste geval in een kuil achter het huis gedumpt. Regenwater, maar ook menselijk afval werd opgevangen in poelen die verspreid in de stad lagen. Aangezien deze poelen niet ommuurd werden, waren ook deze poelen een bron van infecties. Het stadsbestuur drong er daarom op aan om deze poelen schoon te houden. Rond 1600 wordt de stad onderverdeeld in tien buurten rond deze poelen. Deze leverden bluswater bij brand. Later werden deze poelen ommuurd en ontstonden zo de eerste “gemuyrde puelen”. Behalve poelen waren er ook enkele tientallen waterputten in de stad, bedoeld voor gemeenschappelijk gebruik. De oudste vermelding van een put dateert uit 1360 waar wordt gesproken over een put “in der Steghe”. Dit impliceert dat er vóór de oprichting van de Joannes Nepomucenusput al een oudere heeft gestaan.2
Functie
Vanaf de late Middeleeuwen wordt er melding gemaakt van putten door de gehele binnenstad. Zo kwam er voor iedereen beschikbaarheid van water, aangezien er lang geen waterleidingen bestonden. Het water uit de putten werd gebruikt voor een aantal zaken:
- Drinkwatervoorziening
- Bluswater. Deze functie werd zeer belangrijk na de twee grote stadsbranden in 1554 en 1665, waarbij grote delen van de stad afbrandden.
- Gebruik door brouwerijen voor bereiding bier en bakkerijen voor bereiding brood.1
Locaties en putgrenzen
De grenzen van de putgemeenschappen liepen soms dwars door straten heen. Het was niet ongebruikelijk dat deze grenzen werden aangepast, bijvoorbeeld wanneer een huis overging naar een andere putgemeenschap. Dit had vaak te maken met de verdeling van de contributie voor het onderhoud van de put, die gedragen werd door het aantal aangesloten huizen. Het aantal huizen dat bij een put hoorde was niet overal gelijk. Gemiddeld waren er zo’n dertig huizen per put, maar het maximum lag bij 56 huizen. De Munteput bijvoorbeeld bediende slechts negen huizen. Het kwam voor dat welgestelde huizenbezitters een privé-put hadden in de tuin, waardoor deze mensen niet mee hoefden te delen in de onderhoudskosten van de gemeenschappelijke put.
Rond de Munteput, op de hoek van de Lindanusstraat en de Heilige Geeststraat, gaf dit regelmatig aanleiding tot discussies. Zo werden het Jezuietenklooster en het weeshuis op een bepaald moment van de putgemeenschap uitgesloten, waardoor de onderhoudskosten voor de overgebleven huizen stegen. Om dit op te vangen, drong het putbestuur in 1633 aan op het toevoegen van vier huizen uit de Swalmerstraat. Dit leidde tot weerstand bij andere putgemeenschappen, die van mening waren dat brouwer en bakker Sweer Frederichs uit de Lindanusstraat (toen nog Hoge Hegstraat), vanwege zijn hoge waterverbruik, eigenlijk een groter aandeel zou moeten leveren. Het onderhoud was sowieso al een uitdaging, omdat in veel huizen soldaten of ruiters verbleven die wel water gebruikten, maar weigerden bij te dragen aan de kosten.
Putgemeenschappen fuseerden regelmatig, zoals de St Jozefput (Varkensmarkt, Schoenmakerstraat) die samenging met de Munteput, en tussen 1650 en 1700 fuseerde de St Jansput (hoek Swalmerstraat-St Jansstraat) eveneens met de Munteput. Ondanks deze veranderingen bleef het aantal putten door de eeuwen heen vrij stabiel: tussen 1620 en 1920 daalde het aantal slechts van 34 naar 31.1
Benaming
In de binnenstad kregen de putten vaak een naam die verwees naar hun ligging of naar markante plekken in de omgeving. Zo lag de Roerput op de grens tussen de Roer en de Roerweg. De Munteput bevond zich op de hoek van de Heilige Geeststraat en Lindanusstraat, waar het toponiem “Die Monte” te vinden is – vermoedelijk een huisnaam dat al in 1486 werd genoemd.
Vele putten werden genoemd naar nabijgelegen poorten, kloosters of kerken. In de loop der tijd veranderde de manier van naamgeving: in de 17e eeuw was ongeveer 60% van de putten vernoemd naar een familie, maar in de 18e eeuw daalde dit percentage tot 35%. Tegelijkertijd nam het aantal putten dat naar een heilige was genoemd toe, van 3 naar 14 stuks, oftewel 45%. Deze ontwikkeling weerspiegelt niet alleen de veranderende maatschappelijke verhoudingen, maar ook het belang van religie en familie in de lokale gemeenschap.1
Gebruikers
Water uit de putten werd niet alleen gebruikt door de eigenaren en huurders van de aangrenzende huizen, maar ook door ingekwartierde soldaten en ruiters. Deze laatsten droegen echter niet bij aan de kosten voor het onderhoud. Zo moest de stad in 1747 bijvoorbeeld 25 gulden betalen voor reparaties aan de Godsweerderput, nadat die door intensief gebruik van soldaten versleten was geraakt.
Bakkers en brouwers maakten eveneens gebruik van de putten, zoals eerder vermeld bij Sweer Frederichs in de Hoge Hegstraat/Munteput. Het water was in principe uitsluitend bestemd voor de leden van de putgemeenschap. Wie zonder lidmaatschap toch water kwam halen, kreeg een boete van één shilling.
Er waren echter twee uitzonderingen op deze regel: op de markt stonden de Sint Christoffelput, die toegankelijk was voor reizigers, en de Sint Rochusput, die gebruikt mocht worden door mensen die aan de pest leden. Op die manier probeerde men te voorkomen dat de pest zich verspreidde via de overige putten.
Rondom de putten ontstonden geregeld onhygiënische situaties. Zo ontstond er commotie toen een vilder gebruik maakte van de put aan de Schuitenberg. Armen waren gedwongen hun vuile was bij de put te wassen en kinderen of baldadige personen gooiden soms dode dieren in het water.
Door deze onhygiënische toestanden groeide de roep om de traditionele putten te vervangen door pompen.1
Vervanging van putten naar pompen
Vanaf 1650 begon men geleidelijk de waterputten te vervangen door pompen. Aanvankelijk was er veel weerstand tegen deze vernieuwing: het stadsbestuur vond sommige pompen ondeugdelijk, vooral met het oog op brandbestrijding. Pompen die zonder officiële goedkeuring waren geplaatst, moesten weer verwijderd worden, waarna de oude putten werden hersteld. Tijdens de grote stadsbrand van 1665 werden in de verslagen wel melding gemaakt van beschadigde en onbeschadigde putten, maar er werd met geen woord gerept over pompen. Toch besloot het bestuur na de brand om alle putten door pompen te vervangen. In eerste instantie werd aan de rand van de put een pomp gezet met een hendel. Later kwamen de luxere uitvoeringen, waarbij het wateroppervlak afgesloten was van de buitenlucht en de put over de watertoevoer heen stond. Met deze maatregel hoopte men de verspreiding van ziekten, zoals de pest, te voorkomen.
Uit administratieve stukken van 1767 blijkt dat van de 33 putten er nog steeds 13 geen pomp hadden. Deze putten bevonden zich vooral in het zuiden en oosten van de stad. Dit onderscheid had te maken met de maatschappelijke status van de verschillende stadsdelen. Zo stelde de magistraat voor de putten aan de Hamstraat, Onze-Lieve Vrouwenoord (Bakkerstraat-Kloosterwandplein), Zwartbroek en Bakkerstraat-Minderbroederstraat zelfs 100 gulden beschikbaar om de putten te vervangen door pompen. Dat er extra geld werd uitgetrokken voor deze putten, wijst op een zekere armoede in deze delen van de stad.1
Kosten van onderhoud
Het stadsbestuur was niet verantwoordelijk voor het onderhoud van de gemeenschappelijke watervoorziening. Wanneer een put of pomp in onbruik raakte en er klachten kwamen van omwonenden, greep de magistraat wel in door te eisen dat het defect direct werd hersteld. De kosten hiervoor kwamen echter altijd voor rekening van de buurtbewoners zelf. Zoals eerder vermeld, werd het onderhoud verdeeld over het aantal huizen dat bij een put hoorde, variërend van zeven tot wel vijftig woningen. Door de langdurige oorlog aan het eind van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw nam de handel af en kwamen veel huizen leeg te staan. Bewoners die achterbleven schakelden over op akkerbouw en gebruikten lege huizen aan de straat als schuur. Toch werden deze panden gewoon aangeslagen voor het putgeld, een maatregel die bedoeld was om de eigenaren te stimuleren hun schuur weer te verhuren of te verkopen als woonhuis. Werd een huis onbewoond of beschikbaar gesteld aan de armen, dan kon de putmeester besluiten het putgeld niet te innen.
De grenzen van de putgemeenschappen lagen vast, maar het aantal huizen kon veranderen doordat woningen werden opgesplitst of samengevoegd. Het was de huurder, niet de eigenaar, die het putgeld diende te betalen.
Het putgeld kon op verschillende manieren worden voldaan: contant, of in de vorm van vastenavondbier. Wie het bier niet zelf opdronk tijdens de vastenavond, mocht het als natura afdragen aan de putmeester.1
Brandbestrijding
De waterputten langs de openbare weg speelden een belangrijke rol als bron voor bluswater. In 1654 werden pompen nog met enige argwaan bekeken, omdat men vond dat ze niet betrouwbaar genoeg waren voor brandbestrijding. Toch veranderde dit standpunt: in 1681 meldt een bron dat er een pomp werd aangeschaft, juist omdat deze in noodsituaties betrouwbaarder bleek dan een gewone put. Desondanks kwamen er regelmatig problemen voor met kettingen, hefboomconstructies en emmers. Om snel te kunnen handelen bij brand, moesten de buurtbewoners altijd emmers, touwen en kettingen gereed hebben. De putmeesters kregen bovendien de taak om extra gereedschap beschikbaar te stellen.
Zo waren brandladders essentieel en werden er sleden uitgerust met vloten of badkuipen zodat grote hoeveelheden water snel konden worden vervoerd. Deze sleden werden door paarden getrokken, de kuipen stonden gevuld bij de putten en het water daarin moest elke twee à drie weken worden ververst. In 1719 stelde de magistraat zelfs verplicht dat iedere bewoner een gevulde emmer bij de voordeur had staan. Het was echter verboden om het water uit de sleden te gebruiken! In 1702 werden de eerste twee brandspuiten aangeschaft. Daarnaast waren brandhaken noodzakelijk om rieten daken uit elkaar te trekken tijdens branden.1
Putgemeenschappen
De Roermondse putten waren niet alleen water- of afvoerputten; ze vormden tevens het hart van buurt- en wijkverenigingen. Deze verenigingen waren tot in de jaren ’80 van de vorige eeuw zeer actief. Voor WOII bestonden er nog ongeveer 30 putverenigingen. Vele putverenigingen zijn ter ziele of gefuseerd met anderen. Echter zijn er toch nog putverenigingen die de tand des tijds aardig hebben doorstaan. Zo viert de Joannes Nepomucenusput in 2026 haar 275-jarig jubileum! Deze put vond haar origine op de Steegstraat – Venlose Poort – Voogdijstraat, maar door vele fusies beslaat het gebied nu een groot deel van de binnenstad. De originele put bestaat nog steeds, echter heeft het zijn oorspronkelijke locatie verlaten: de Steegstraat is ingewisseld voor de hoek van het Munsterplein bij de fontein. De inscriptie “ConCorDes eLegere JoanneM” onthult dat de naam in 1751 door eendrachtig besluit van de putbewoners is gekozen: vertaald vanuit het Latijn betekent het: “Eendrachtig voor Joannes gekozen”. Een aantal letters zijn als hoofdletter geschreven: CCDLIM, met een beetje husselen kom je uit op 1751.1 Maar aangezien de huidige putgemeenschap nog steeds de naam draagt van Joannes Nepomucenus, wordt het jaar 1751 in ere gehouden. Dit betekent dat 2026 in het teken staat van het 275-jarig jubileum!
Er zijn nog twee andere putten bewaard gebleven. Een gietijzeren put is nog te bewonderen in de Voorstad. Een hardstenen put bevindt zich op de Neerstraat.
Bijna altijd stond er een putbeeld nabij de put, waarvan sommige ingemetselde exemplaren nog te vinden zijn in de binnenstad. Bovenop de pompen stonden regelmatig heiligenbeelden, zoals van de heilige Bruno in de Swalmerstraat (seminarie), de heilige Jozef op de Varkensmarkt/Bergstraat en Maria op de Zwartbroekstraat. Vaak werd Maria als heilige afgebeeld, maar er kwamen ook andere heiligen voor.
Rond 1920 werd geprobeerd de putten en hun gemeenschappen nauwkeurig te beschrijven, al was dit niet altijd even volledig. Om de ontbrekende details te achterhalen, werden in 1973 interviews gehouden met oudere stadsbewoners die zich de putten en het putwezen rond en na 1920 nog goed herinnerden. Op die manier kon het rijke verleden van de Roermondse putten worden gereconstrueerd.1
Putgemeenschap als buurschap
Een putgemeenschap bestond uit een groep huizen die samen het recht hadden om een waterput te gebruiken, zowel voor drinkwater als voor bluswater. De bewoners waren verplicht om bij te dragen aan de onderhoudskosten van deze put en de daarbij behorende brandbestrijdingsmiddelen. Omdat de putbewoners ook buren van elkaar waren, ontstond er een hechte band binnen de gemeenschap. Elk jaar kwamen de buren samen om vastenavond te vieren, een belangrijk moment waarop ook de putmeesters werden gekozen.
Niet alleen tijdens vastenavond, maar ook op andere momenten kwamen de buurtgenoten bijeen. Daarvoor werden duidelijke regels opgesteld om de orde te bewaren. Zo kon iemand die ruzie maakte, een ander voor leugenaar uitmaakte of beledigingen uitte, rekenen op straf door de putmeester. Wie een gevecht begon en op de vuist ging, kreeg zelfs een dubbele straf. Op teken van de putmeester moesten alle kinderen vertrekken, zonder dat hun ouders daartegen mochten protesteren. Ongehuwde jongemannen die bleven zitten, moesten elke avond vier stuivers betalen.
Ook op het stiekem ontvreemden van bier stond een stevige boete: een ‘aam’ bier (goed voor 135 tot 160 liter). Deze straf gold trouwens ook voor vrouwen die tijdens een vergadering hun echtgenoot kwamen halen en daarbij ophef veroorzaakten. Voorafgaand aan vastenavond hield men een rondgang langs de huizen om bijdragen op te halen. Op deze dag waren de kloosters vaak wat gulgeviger, bijvoorbeeld met haringen, roggebrood of bier. Toen de kloosters tijdens de Franse Tijd verdwenen, vielen deze inkomsten weg en nam de stad deze taak vaker over.
De putgemeenschap speelde ook een rol bij bijzondere gebeurtenissen. Zo was het bij huwelijken gebruikelijk dat een ton bier werd geschonken aan de buren, het “trouwbier”. In 1682 is bijvoorbeeld bekend dat Frans Simons hierover werd aangeklaagd toen hij weigerde deze traditie te volgen bij het huwelijk van zijn dochter. In 1752 werd vastgesteld dat ouders, ook als hun kinderen niet meer bij de put woonden, een recognitie moesten betalen aan de naburen bij een huwelijk. Soms ontstond er zelfs onenigheid tussen verschillende putgemeenschappen over wie recht had op deze erkenning, bijvoorbeeld als knechten van de Munsterabdij gingen trouwen, want wie had dan recht op het bier? De put die ligt aan de ingang van de abdij, of de put die ligt aan de ingang van de kerk? De put die lag aan de ingang van de abdij won (Hamstraat). De winst: een halve ton bier.
Ook bij sterfgevallen waren er vaste gebruiken: erfgenamen moesten een halve of hele ton bier betalen aan de buren om aanspraak te maken op het erfgoed, het zogenaamde “lijkbier”. Bovendien waren de naburen verantwoordelijk voor het dragen van de hemel (baldakijn) en de lantaarns tijdens de begrafenis.
Verder werden er naast de putten niet alleen beelden opgericht, maar soms ook kleine kapelletjes waar men kon bidden. Tijdens de Franse periode moesten deze religieuze uitingen verdwijnen.
Tot slot hadden putgemeenschappen ook enkele bestuurlijke taken. Ze waren verantwoordelijk voor het houden van volkstellingen onder de bewoners en vreemdelingen, een taak die bij de putmeesters lag. Via deze putmeesters werden ook gemeentelijke besluiten verspreid en de gemeenschap kon worden opgeroepen om manschappen te leveren voor bijvoorbeeld verdedigingswerken of het uitgraven van de haven.1
Putmeesters
Het ambt van putmeester werd voor het eerst genoemd in 1577. Voor iedere put werden er telkens twee putmeesters aangewezen, die deze taak één jaar vervulden. De verkiezing vond traditiegetrouw plaats tijdens vastenavond. Na hun benoeming gingen de nieuwe putmeesters langs de deuren om bijdragen op te halen voor het bier waarmee die avond feest werd gevierd. Putmeester zijn gold als een eer en was moeilijk te weigeren, maar bij conflicten tijdens hun ambtsperiode konden zij het ambt neerleggen. Stadsbeambten en leden van de magistraat waren vrijgesteld van deze plicht. In de 18e eeuw werd het putmeesterschap beurtelings toegekend aan de hoofdbewoners van twee naast elkaar gelegen huizen. Weduwen kwamen hiervoor niet in aanmerking; in dat geval ging het ambt over op een geschikte zoon. Indien er geen zoon was, moest een plaatsvervanger worden aangesteld of diende de weduwe acht shillingen aan de gemeenschap te betalen. Op vastenavond droegen de oude putmeesters het brandgereedschap over aan hun opvolgers en legden zij verantwoording af over de inkomsten en uitgaven.1
Waarom Joannes Nepomucenus?
Johannes Nepomuk werd rond 1340 geboren in Pomuk, Bohemen. Hij studeerde in Praag en Padua, werd pastoor van de Sint-Gallusparochie en later vicaris-generaal van de bisschop in Praag. Johannes stond bekend om zijn bescheidenheid en zijn krachtige preken, die veel mensen aantrokken. Koning Wenceslas IV bood hem een positie aan het hof aan, maar Johannes weigerde. De wantrouwende Wenceslas verdacht zijn vrouw van oneerbare betrekkingen en liet haar gevangen zetten. Haar biechtvader Nepomuk zocht haar op en nam haar de biecht af.
Na een van die bezoeken eiste de koning van de biechtvader dat hij hem zou vertellen wat de koningin hem bij de biecht had toevertrouwd. Johannes Nepomuk weigerde. Het biechtgeheim was hem heilig. Hij werd gefolterd, maar bleef bij zijn weigering, waarop Wenceslas hem aan handen en voeten gebonden te middernacht over de brug van de rivier de Moldau liet werpen. Er worden tal van wonderen vermeld die verband houden met deze moord, die in het jaar 1393 werd gepleegd.
Zo zou de rivier zijn drooggevallen toen het lichaam van de martelaar het water raakte. Boven de brug werden lichtende stralen waargenomen. Andere overleveringen vertellen dat het lichaam op de Moldau bleef drijven terwijl vijf sterren een aureool om het hoofd van de verdronkene vormden.
Hij werd eerst anoniem begraven in opdracht van de koning, maar onder druk van de bevolking en Kerk herbegraven in de Sint-Vituskathedraal in Praag en wordt daar sindsdien vereerd. In 1729 werd Johannes heilig verklaard en sindsdien geldt hij als de belangrijkste brugheilige van West-Europa, patroon van Bohemen, priesters, biechtvaders en schippers, en beschermer van het zwijgen en het biechtgeheim. Als heilige die de marteldood in het water was gestorven, placht men Johannes Nepomuk ook aan te roepen bij grote droogte. Zijn feestdag is 16 mei.3
De keuze voor Johannes Nepomuk als heilige van de put kan op twee manieren uit te leggen zijn. De nabijgelegen Venlose Poort had een brug over de slotgracht. Ook kan men hem geïnstalleerd hebben om de put te vrijwaren tegen droogte. In de buurt staat er nog een beeld van hem op de brug in Swalmen.
Bronnen
- G.H.A. Venner — “De putten van Roermond”, Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg (PSHAL), 1990, jaargang 126, pagina’s 51–110.
- Peter Nissen & Hein van der Bruggen — “Roermond, biografie van een stad en haar bewoners”, pagina 98–99.
- Historische Vereniging Nepomuk Boxmeer. Het verhaal van Johannes Nepomucenus. nepomukboxmeer.nl